BEZINNING BIJ DE ACHTENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR.
HET GELOOF REDT
Van de tien melaatsen keert er maar één naar Jezus terug om Hem te danken. Jezus
is daardoor blijkbaar gegriefd: "waar zijn dan de negen anderen?" De verleiding
is groot om bij gelegenheid van dit evangelie te spreken over de dankbaarheid.
Maar of dit de bedoeling is van de evangelist is niet zo zeker.
Je zou je inderdaad kunnen afvragen of de negen anderen echt ondankbaar waren.
Misschien waren zij zo overweldigd door het geluk van hun plotselinge genezing,
dat ze gewoon vergaten om terug te keren. Zij krijgen de vrijbrief van de
priesters en ze mogen eindelijk weer onder de mensen komen. Eindelijk weer naar
hun familie, hun vrouw, hun kinderen, hun ouders. Overgelukkig als ze zijn,
verkeren ze als het ware in een roes en dan verzuim je dingen die je normaal wél
doet.
Het sleutelwoord van dit evangelie ligt in de laatste zin die we gelezen hebben:
"uw geloof heeft u gered". Misschien was Jezus teleurgesteld omdat Hij nu alleen
aan die ene zeggen kon, dat het geloof hen uit hun onmenselijke situatie had
bevrijd. Want dit was toch het doel van heel zijn predikatie: de mensen
overtuigen dat het geloof in God, zin aan je leven geven kan.
Wat te zeggen over die ene die wel terugkwam: de Samaritaan. Alle tien zijn ze
genezen, hun huid was weer zacht en glad geworden, vrij van uitslag en zweren.
De negen waren uiterst blij met hun gave huid, maar daar bleef het bij. De
Samaritaan keerde aanstonds terug naar Jezus. Bij hem is er niet alleen iets
gebeurd met de huid, maar ook onder zijn huid. Voor hem was de hele wereld, de
zin van zijn leven veranderd. Als Samaritaan kon hij niet naar de joodse
priesters gaan om rein verklaard te worden; hij mocht in de tempel geen
reinigingsoffer brengen, maar hij kon wel naar Jezus terugkeren om Hem een
dankoffer te brengen. "Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer".
Hij wist wie erkent moest worden, wie Jezus was en bracht eer aan God. Bij de
negen anderen waren de ogen niet opengegaan. Zij zagen niet wie Jezus was. Bij
de Samaritaan was het anders: door zijn genezing vond hij bij Jezus het geloof
in God. Zulk een geloof hebben wij ook nodig. Geloven dat God heil wil schenken
aan alle mensen. In Jezus wordt Gods zorg voor alle mensen zichtbaar. Wetten en
voorschriften kan ons iedereen geven, maar daarvan leven wij niet. Wij leven pas
echt als wij, zoals deze Samaritaan, inzien dat God ons in Jezus liefheeft. "Uw
geloof heeft u gered"!