BEZINNING BIJ DE DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR.

 

WIE IS DE TOLLENAAR, WIE DE FARIZEEËR?

Er zijn parabels uit het evangelie waarvan wij heel goed de inhoud kennen, maar de eigenlijke betekenis, van wat Jezus wil zeggen, dringt niet meer tot ons door. Als Jezus, vandaag, deze parabel zou vertellen zou Hij misschien de rollen omkeren. Ongeveer zo. Twee mensen gingen naar de kerk om te bidden. De een was een tollenaar, die de kerk al sinds zijn trouwdag niet meer van binnen had gezien, de andere een vrome Farizeeër, een trouwe kerkganger. De eerste, de tollenaar ging helemaal vooraan in de kerk staan. Hij bad: "God, ik dank U, dat ik niet ben zoals veel andere mensen, schijnheiligen en huichelaars, die iedere zondag in de kerk zitten. Ik dank u bijzonder, dat ik niet ben als die pilaren bijter daar achter met zijn godvruchtig gefezel, en die het uitbazuint als hij iets bijzonders gedaan heeft". Ik ben mij van mijn beperkingen en tekortkomingen bewust en ik durf bekennen dat ik een gewiekste geldwolf ben. Als er gebedeld wordt, ben ik niet thuis en soms loop ik er de kantjes wel eens af. Daar kom ik graag voor uit. Ook al ben ik niet zo vroom als die Farizeeër daarachter, ik ben tenminste eerlijk". "God, wees mij zondaar genadig". Ook hier zou Jezus zeggen: "Deze laatste, de zich van zonden bewuste kerkganger, ging gerechtvaardigd naar huis en niet de man vooraan die zijn eigen tekorten wist goed te praten. Jezus vertelde deze parabel om mensen, die zich beter achten dan anderen, op hun plaats te zetten. Sinds Jezus' tijd is er heel wat veranderd. Vandaag zijn het vaak de buitenkerkelijken die zich beroepen op hun 'in-orde' zijn en zonder schuld, terwijl de kerkelijken zich meestal van hun tekorten en gebreken zeer goed bewust zijn. De christenen voelen zich als de tollenaar, die nog naar de kerk gaat; zij leven vanuit Gods barmhartigheid, vragen vergeving van hun zonden en daarom worden ze nu Farizeeën genoemd. Wij kerkelijken zullen deze veroordeling van de buitenkerkelijken geduldig en moedig moeten dragen. Wij weten wel dat onze God een God is, niet alleen voor de goeden maar ook voor de slechten. Bij God telt iedereen mee.

Maar wie vrijwillig verzaakt aan zelfgerechtigheid, wie zichzelf gering acht en de anderen niet veroordeelt, heeft blijkbaar bij God een streepje voor. Wij vertrouwen ons toe aan het oordeel van God. Wij willen niet minachtend op de anderen neerzien. Want zo besluit Jezus deze parabel: "Wie zich verheft zal vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden". Hier, zoals altijd maakt het woord van Jezus de zekeren onzeker, en de onzekeren, zeker!