BEZINNING BIJ DE EERSTE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD.
Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen
Het verhaal over de bekoringen van Jezus in de woestijn is bij Marcus uitzonderlijk kort. Het volgt op het verhaal van de doop van Jezus in de Jordaan: het uur van zijn roeping. Daar heeft Hij het woord gehoord: "Gij zijt mijn Zoon, mijn veel geliefde". Jezus voelt zich van dan af aan geroepen en gezonden om dit alles te verwerken, en om zich op zijn taak voor te bereiden zocht Jezus de stilte en de eenzaamheid. "De Geest dreef Hem naar de woestijn", zegt Marcus.
Wij kunnen dat goed begrijpen. Nogal wat mensen trekken zich een paar dagen terug om te bezinnen over hun leven. Zelfs bij gewone beslissingen krijgen wij de goede raad er eerst een nacht over te slapen.
Zo trok Jezus naar de woestijn, veertig dagen lang, zegt het evangelie. Hij verbleef daar met de engelen die hem hun diensten bewezen en bij de wilde dieren. Wat die wilde dieren zijn, zeggen ons Matteüs en Lucas: Hij werd er door satan bekoord. Satan is dan het beeld van de boze machten in ons: hebzucht, eerzucht en heerszucht. De mens Jezus heeft dit ook allemaal gekend, maar in de stilte van de woestijn en geholpen door de engelen heeft Hij alles zijn plaats kunnen geven, heeft Hij zijn leven in harmonie gebracht, de harmonie van het paradijs.
Het verhaal van de bekoring van Jezus is een troostvol verhaal. Ook wij zijn blootgesteld - als wij het zo mogen zeggen - aan wilde dieren, noem ze maar hebzucht, eerzucht en heerszucht. Ook wij leven vaak in eenzaamheid, in moedeloosheid, met ziekte en onmacht. Dan is het goed dat ook wij God zoeken in de stilte en het gebed. Wij kunnen de wilde dieren niet verjagen, we moeten ermee leren leven in de hoop dat ook Gods engelen ons nabij zijn. De engelen zijn een beeld van de goede krachten die ons beschermen en steunen.
Dietrich Bonhoeffer schreef vanuit de gevangenis, kort voor zijn terechtstelling, een kerstwens aan zijn vrouw:
Door goede machten wonderbaar geborgen,
verwachten wij getroost wat komen mag,
God is met ons in de avond en de morgen en heel zeker in elke nieuwe dag.
Bewust van het feit dat ook wij door goede machten, noem ze maar engelen, wonderbaar zijn geborgen, mogen wij getroost verwachten wat komen zal. Misschien zijn wij geroepen om voor medemensen als een engel te zijn. Dat doen is de veertigdagentijd heiligen.