GESCHIEDENIS

DE KERK VAN ZEVERGEM

Bestuurlijk-fiscaal ressorteerde Zevergem onder de kasselrij van de Oudburg te Gent. Kerkelijk behoorde het tot 1559 tot het bisdom Doornik, nadien tot het bisdom Gent.

Het patronaat kwam toe aan de Gentse Sint-Pietersabdij. Zij stelde de pastoor en de koster aan. De pastoor trok in de achttiende eeuw ruim 80 pond Vlaams, ontving de offers, bewoonde een onbelast huis en had het gebruik van 50 roeden meers. De koster had het vruchtgebruik van 800 roeden land.

 

De eerste vermelding van een kerk te Zevergem dateert van 1140. Het was een landelijke bijkerk van de Onze-Lieve-Vrouwparochie van de Sint-Pietersabdij te Gent. De kerk van Zevergem heeft twee schutspatroons, Onze-Lieve-Vrouw en de H. Rochus van Montpellier, die op zijn pelgrimstocht naar de graven van de HH. Petrus en Paulus, toen de pest uitbrak in Rome, de onvermoeibare verzorger van de pestlijders was. Hij overleed in 1327.

 

GEBOUW

De kerk is ingeplant ten oosten van een driehoekig dorpspleintje  dat vroeger beboomd was. Ze is omgeven door een ommuurd kerkhof met raai ijzeren toegangshek aan gietijzeren zuilen. Op het kerkhof merken we het stenen beeld van het H. Hart van Jezus, links van de kerk, van 1929.

 

De huidige kerk heeft een rechthoekige plattegrond van het pseudo-basilicale type, met een schip en zijbeuken van 7 traveeën met ingebouwde toren met driezijdige sluiting.

Ze heeft een sobere baksteenbouw op een plint van zandsteen en zandstenen  hoekblokken. Tussen de eerste en tweede travee van de linker zijbeuken zien we een leien dak. De westelijke gevel heeft een rondboogdeur in een omlijsting van geprofileerde arduin met imposten en sluitsteen.

De vierkante toren heeft twee geledingen met rondboogvormige  galmgaten en een achthoekige naaldspits bekroond met een kruis en windhaan met jaartal 1855. Zijgevels en koor hebben getoogde vlak omlijste vensters en aflijnende bepleisterde ban onder de gootlijst. Er zijn sporen van een dicht getoogd deurtje in de tweede noordelijke travee.

 

Het was oorspronkelijk een éénbeukige kruiskerk met kruisingstoren op vierkante basis en een achthoekige klokkenkamer in Doornikse steen in onregelmatig verband die vermoedelijk dateert uit de twaalfde eeuw.

De linkerzijbeuk dateert van 1768, datum waarop ook de vloer werd verhoogd (vijftien tot zestien duim). In 1773 werden herstellingen uitgevoerd aan de kerk, de toren en het koor onder leiding van De Villegas, religieus en bouwmeester van de Sint-Pietersabdij. In 1774 werd het plafond afgewerkt en enig meubilair aangekocht.

 

Belangrijke verbouwingen hadden plaats tussen 1852 en 1855 volgens het ontwerp van architect F. Cardoen en uitgevoerd door aannemer E. Soetes met:

 

1.                  de bouw van een rechter zijbeuk identiek aan de noordelijke beuk

2.                  het slopen van de kruisingstoren.

3.                  de uitbreiding van de kerk naar het westen met  één travee met ingebouwde vierkante westelijke toren en een driezijdig uitgebouwd koor en sacristie. Een tweede sarcristie werd gebouwd in 1860.

 

In augustus 1873 had hier een hevig onweer plaats en zowel de kerk als de pastorij en vermoedelijk ook de omliggende woningen moeten behoorlijk wat schade geleden hebben.

 

Er waren aanzienlijke beschadigingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In een verslag van 22 februari 1919 maakt de provinciale overheid een lijst over aan het “Provinciaal Comiteit voor Monumenten en Landschappen” waaruit blijkt welke de schade was aan het kerkgebouw door oorlogsomstandigheden. De laatste drie weken van de oorlog werden meer dan twintig kerken in Oost-Vlaanderen verwoest.

Op 18, 19 en 20 oktober waren de kerken gelegen langs het Schipdonkkanaal aan de beurt. Daarna volgden tussen 23 oktober en 2 november de kerken aan de Leie en op 1 en 2 november die aan de Schelde.

Op 2 november werd de kerktoren van Zevergem door mijnen neergehaald.

één uur voor het gebeuren werden de inwoners verwittigd om 200 meter afstand te houden. De Duitsers stonden niet toe dat de pastoor zijn kostbare voorwerpen weghaalden. In zijn val heeft de kerktoren de eerste travee van het schip verwoest. De wijzerplaat van het torenuurwerk kwam terecht in het koord. Het dak nabij de toren werd vernield en naar het koor is het kromgetrokken en opengescheurd. De ramen aan de noordzijde hebben weinig geleden maar aan de zuidkant zijn ze vernield. Door de grote bressen in de zuidelijke muur bemerkt men ronde pilaren met kapitelen die doen denken aan de architectuur uit de XVde – XVIde eeuw.

De herstellingen hadden plaats in 1922 onder leiding van architect A. Poppe. hierbij werd het horloge verplaatst naar het torendak.

 

De laatste restauratie dateert van 1983 en stond onder leiding van architect M. De Vleeschouwer.

 

KLOKKEN

De grote klok heet H. Maria, weegt 1130 kilogram en werd gegoten in de gieterij van J.R. Michiels te Doornik. Ze werd op 8 oktober 1951 door deken J. Raman van Nazareth gewijd. De klok draagt de tekst “Maria werd ten Hemel opgenomen de engelen verheugen zich lovend zegenen zij de heer”. De toon is Fa. De meter is Yvonne de Pelichy en peter Cyriel Boterman, plaatsvervanger van Prosper Vlerick. De vorige klok werd weggenomen in 1943.

 

De kleine klok in de Sint-Andriesklok gegoten in 1631 en weegt 300 kilogram met La als toon.

 

Het interieur is homogeen 18de eeuws. De middenbeuk heeft een houten tongewelf en de zijbeuken een gedrukt gewelf met stucversiering. De gordelbogen zijn verrijkt met typisch Lodewijk XV-schelpen en rocaillemotieven. Die in de linkerbeuk zijn origineel, die in de rechterbeuk nagebootst. De koorwanden hebben een beschilderde houten lambrisering.

 

MEUBILAIR EN ANDERE KUNSTWERKEN.

Het hoofdaltaar is een portiekaltaar in gepolychromeerd gemarmerd hout uit de achttiende eeuw.

Het zijaltaar van Onze-Lieve-Vrouw (links) is een portiekaltaar in geplochromeerd en gemarmerd hout, een schenking van Silvanus Delebeque-Van Goethem in 1856.

Het zijaltaar van de H. Rochus van Montpellier is eveneens een portiekaltaal in gepolychromeerd hout uit de negentiende eeuw. Op de altaren hangen geen taferelen, maar het hoogaltaar en het zijaltaar van Onze-Lieve-Vrouw (links) zijn fraai beschilderd door De Baet uit Gent. De ingang van het hoogkoor is versierd door twee stenen beelden van St. Antoon en de H. Barbara.

 

 

 

De preekstoel is in eikenhout en werd vervaardigd door D. Latte uit Gavere in 1857. daarbij gebruikte hij fragmenten van de kuip van de preekstoel van 1779. Hij heeft twee bas-reliefs, voorstellend Maria en de Goede Herder.

De biechtstoel rechts is in eikenhout en dateert uit de 18de eeuw, de biechtstoel links eveneens in eikenhout werd in 1853 vervaardigd door J.B. Haeck. Een van deze biechtstoelen zou afkomstig zijn van de kerk van Zwijnaarde.

 

De achthoekige doopvont, met koperen deksel, is van blauwe steen en dateert uit de zeventiende eeuw.

 

FOTO

 

Het orgel werd vervaardigd door Jules Anneessens uit Menen rond 1925, misschien met enkele pijpen afkomstig van het Van Peteghemorgel van 1787, dat in 1875 was gewijzigd door L. Lovaert. Het orgel werd vernield in de Tweede Wereldoorlog. Kostprijs voor het “stellen” van het orgel door Van Peteghem op 10 november 1809 bedroeg vijf pond vijf schellingen. Op 16 juli 1842 werd het door Van Peteghem hersteld en gereinigd voor 43 fr. 17c.

Op 30 december 1867 komt ene Vergaert het orgel herstellen voor de prijs van 185 fr.

 

De vijftien schilderijen in de zijbeuken stellen de Mysteriën van de rozenkrans voor en zijn van 1776, ze worden toegeschreven aan Van Reyschoot en in de negentiende eeuw gerestaureerd. Emmanuel Van Reyschoot ontving zestien pond voor de uitvoering van deze doeken.

 

FOTO

 

De rozenkransdevotie werd gedurende de zeventiende eeuw door de Jezuïeten over heel het land verspreid en leefde voort gedurende de achttiende en negentiende eeuw, dank zij religieuze broederschappen en piëteitsprenten. De devotie tot Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Rozenkrans is relatief recent, zoals ook die tot Onze-Lieve-Vrouw-van-de Zeven-Smarten. Zij groeide uit een verlangen, Maria lichamelijk te laten delen in het leven en de dood van Christus.

 

Deze vijftien doeken horen eerder thuis in de volkskunst dan in de schilderkunst. Vrome prenten werden toen op grote schaal in heel Vlaanderen verspreid. Antwerpen bleef, ook in de achttiende eeuw, het voornaamste productiecentrum ervan, ook al daalde de kwaliteit van deze kleine gravures. De iconografie van de Eucharistie, de Kruisweg, de Mariaverering en de Mysteries-van-de-Rozenkrans drongen zo door tot in alle lagen van de bevolking. Deze devotieprenten zochten hun inspiratie zowel in beroemde meesterwerken als in naïeve gravures uit nederige gebedenboeken. De invloed van Rubens, Le Brun of Philippe de Champaigne liet zich niet alleen gelden via gravures van het hoogste niveau; wijd verspreide en bescheiden vrome prenten zorgden daar eveneens voor. Er bestaat dus vanaf het einde van de zeventiende tot het midden van de negentiende eeuw een overeenkomst in thema en stijl tussen de grote schilderkunst, de gravure, de boekillustratie en de devotieprent, ook al varieerde de kwaliteit van deze verschillende technieken heel sterk.

 

De doeken verkeerden in 1860 in zo’n slechte staat dat pastoor P.A. Naessens (pastoor tussen 1855 en 1870) ze liet restaureren. Het is mogelijk dat enkele doeken toen volledig of gedeeltelijk herschilderd werden. Men kan slechts zes van de vijftien doeken met zekerheid toekennen aan Emmanuel van Reijsschoot. Het zou ook kunnen dat hij officieel betaald werd voor een ensemble dat hij daarna in samenwerking met andere schilders uitvoerde. We weten dat een zekere Fruytiers (1713-1783), een beroemd prententekenaar, prenten ondertekende die hij noch graveerde noch schilderde.

 

De algemene iconografie van de vijftien doeken is ontleend aan het zeer mooie doek van Guido Reni ‘De Madonna van de Rozenkrans’ uit de Sint-Lucasbasiliek van Bologna. Meer specifieke thema’s werden overgenomen van Rubens en zijn werkkring of van Philippe de Champaigne.

 

De Vijf Blijde Mysteries stellen respectievelijk de Blijde Boodschap, de Visitatie, de Geboorte, de Opdracht in de Tempel en Jezus tussen de Schriftgeleerden, voor. Ze werden alle door Emmanuel van Reijsschoot geschilderd. Wij herkennen zijn hand in de canon van de figuren, in het putto-type, in de houding en de kledij van de personages, houterig “ingepakt” in hun gewaden. Het probleem, twee tegenovergestelde werelden (de bovennatuurlijke en de dagelijkse), twee essentieel verschillende wezens (een hemels en een aards), en twee ruimten (de kamer van Maria en zwevende wolken) in één doek, de Blijde Boodschap, samen te brengen; loste Emmanuel met veel voorzichtigheid op. De Visitatie van Maria aan haar nicht Elisabeth stelde de schilder minder problemen. Hij ontleende de leunende Maria aan één van de panelen van de Kruisafneming van Rubens.

 

Op een wat naïeve wijze probeert Emmanuel van Rijsschoot een bovennatuurlijke atmosfeer in het doek De Nativiteit binnen te brengen. Twee engelenhoofden worden in de wolkenvelden geschilderd: het licht straalt vanuit het kind op de moeder.

 

De Opdracht in de Tempel beantwoordt aan een reinigingsrite die de Joodse vrouwen volgens de Wet na een geboorte moeten ondergaan.

Maria betoont hiermee haar gehoorzaamheid aan de Joodse Wet. In dit paneel voelt men duidelijk de invloed van de grote meesters, in het bijzonder van Philippe de Champaigne.

 

Het laatste doek uit de reeks van de Vijf Blijde Mysteries toont Jezus tussen de Schriftgeleerden. Jezus zit tussen de geleerden, het hoofd door licht omkranst, de voeten bloot. Hij houdt zijn hand omhoog in dezelfde biddende houding als de Engel in de Annunciatie.

 

De droevige mysteries en de glorierijke mysteries, met uitzondering van de Ten Hemel Opneming van Maria, werden door één of meer onbekenden geschilderd. De Ten Hemel Opneming van Maria is wel van de hand van Emmanuel, ook al werden de wolkenvelden grondig herschilderd. De traditie volgend, stijgt Maria niet ten hemel op, zoals Christus het wel deed, ze wordt door engelen in het paradijs opgenomen. Pieter van Reijsschoot zal met veel meer talent hetzelfde thema in de kerk van Moerzeke behandelen. Wat bij zijn vader naïef en plomp is zal onder zijn penseelcharme, zwier en koloriet verwerven.

 

De Rozenkrans van de kerk van Zevergem getuigt van een bijzonder levendige devotie in de achttiende eeuw en van een volkskunst die, net zoals de grote schilderkunst, de muren van onze kerken versierde. Een andere uiting daarvan zijn de talrijke Kruiswegen. De doeken van Zevergem zijn eveneens sprekend voor het aanpassingsvermogen van onze kleine Vlaamse achttiende eeuwse meesters.

 

Achteraan in de kerk hangen een aantal obiits.

Bij de aristocratie was het de gewoonte rouwblazoenen te gebruiken. Het gebruik is afgeleid van de vroegere gewoonte om bij het afsterven van een adellijk persoon een doek met het familiewapen op de doodskist te leggen. Later werd dit gebruik vervangen door een schilderij in ruitvorm op hout of doek. Het bord werd dan opgehangen boven de ingang van de borg, het kasteel. Na de rouwperiode werd het rouwblazoen vooraan in de lijkstoet meegedragen en in de kerk voor de katafalk opgesteld. Hierna kreeg het bord een plaats in de kerk. Een blijvende herinnering aan de overledene; waren de oudste borden vrij sober, jongere exemplaren tonen een overdaad aan doodssymboliek : schedels, beenderen, zandlopers, zeisen, omgekeerde toortsen etc.

 

Uiteraard waren de boorden voorzien van de naam van de overledene, de titels, de ambten, de gebieden waarover de scepter werd gezwaaid, de kerken, waarvan de overledene collator was (collatierecht was onder andere het aanwijzen van een predikant), datum van geboorte en datum van overlijden. In de kwartieren trof men dan de wapens aan van de families, waarvan men afstamde. In Zevergem werden in 1976 en 1980 nog steeds obiits gebruikt.

 

Schilderij: H. Hiëronymus in zijn werkkamer van de Vlaamse school 17de eeuw. Hij was een der grootste geleerden onder de kerkvaders. Na eerst een losbandig leven te hebben geleid trok hij zich terug in de woestijn om boete te doen. Door paus Damascus werd hij belast met de Latijnse vertaling van de Bijbel nu nog gekend als de Vulgata.

 

 

FOTO

 

Schilderij: Onze-Lieve-Vrouw schenkt de rozenkrans aan de H. Dominicus Guzman (Vlaams school achttiende eeuw). Dominicus werd in 1170 in Spanje geboren en ijverde voor de bekering van de Albigenzen. Hij is de stichter van de Predikherenorde en bevorderde de verspreiding van de H. Rozenkrans. Hij stierf in 1221.

 

GRAFZERKEN

 

In het koor:l “hier light begraven Lieven Borluut fs. Simons zone die starf den 27 lauwmaand van ‘tjaer ons heren 1481”

 

In het hoogkoor in een kast rechts van het hoogaltaar is er een witmarmeren plaat met opschrift ter ere van Antoine Ferdinand Volckaert heer van Welden overleden in 1681.

 

Een van de belangrijkste lenen in Zevergem was de heerlijkheid van Welden, afhankelijk van de Sint-Pietersabdij, en die zich ook over de Schelde te Gavere, Wassene en Semmerzake uitstrekte. Op 28 juni 1623 werd het leen verkocht aan Laurens Volckaert. Deze had in 1630 adelbrieven ontvangen van de koning. Zijn opvolger was Philip die in 1668 stierf. Na deze kwam Antoon-Ferdinand, ridder gemaakt in 1664, en kinderloos gestorven in 1681. Hij werd opgevolgd door zijn broer Ferdinand Frans. Zijn zoon Frans, heer van ’t spiegelhof te Gent en hoogbaljuw van het Land van Waas in 1728, verkreeg van koning Karel VI om voor zich zelf en al zijn afstammelingen de titel van graaf op zijn leengoed van Welden toe te passen. Hij overleed in 1745 kinderloos. Welden ging nu naar zijn zuster Joanna-Maria. In 1825 behoorde het kasteel toe aan baron Pieter-Joris De Meulenaere.

 

 

FOTO

 

In het midden van het hoogkoor vóór de communiebank: een wit-marmeren grafzerk van Eleonora Philippina Volckaert en van Francisci Frederici graaf van Welden en hun dochter Catharina Ferdinanda de Boneem (1703)

 

Vóór het zijaltaar (van Sint-Jozef) een grafsteen van Joos de Nobele overleden op 22 januari 1801 en zijn echtgenote Catharina van Gom overleden op 29 augustus 1769.

 

Onder de preekstoel een grafsteen van Maurus Thienpont fs Jans overleden op 21 mei 1721 en Joanna Maria Van Der Cruyssen fa Pieter overleden op 8 oktober 1714.

 

Onder de preekstoel een grafsteen van Joos Van Schelstraeten fs Anthone overleden op 17 oktober 1722, officiaal bij de Sint-Pietersabdij en Johanna Gremmens fa. Geeraert overleden op 20 maart 1688.

 

In de noordelijke buitenmuur naast de deur van de sacristie een arduinen grafsteen van A.F. Volckaert, hij lag oorspronkelijk binnen onder de oude toren. De uitgesleten grafsteen is voorzien van het wapen van de heren van Welden.

 

Op het kerkhof aan de muur van de linkerzijbeuk een grafsteen van Petrus Georgius baron de Meulenaere heer van Welden overleden op 2 juni 1825, 74 jaar oud.

Achteraan tegen de kerkhofmuur een Calvariekapel, tegelijk grafkapel van Julianus De Clercq pastoor te Zevergem van 1880 tot 1893.

Een Pïetakapel van 1945 afkomstig van een huis aan de Klossestraat werd tegen de kerk weerder opgebouwd.

 

SCHANDPAAL

 

De zuil links van de ingang zou een fragment zijn van de schandpaal van de heerlijkheid van de Sint-Pietersabdij. Er wordt ook gesuggereerd dat het om de schandpaal van het graafschap Welden zou gaan.

Op 40 cm boven boven het plaviesel priemt nog een stukje ijzer uit de paal en op ongeveer 85 cm kan men langs de muurzijde een gat bemerken waarin de ring van het halsijzer verankerd zat.

 

Tijdens het leven van De Potter zou deze paal ingemetseld geweest zijn in de gevel van de herberg “De Drie Linden” op het dorp.