Goede Vrijdag
Centraal beeld: zie visualisering met waterput in de liturgiemap.
Op Goede Vrijdag tonen we een verlaten waterput; onder een stapel stenen naast de put, ligt één roos; vóór het altaar staat een sober houten kruis.
In tegenstelling tot de zondagsliturgie gebruiken we nu geen kleurenfoto maar een zwart-wit tekening
- Alle symbolen van vorige vieringen worden weggenomen. Naast de put ligt een hoop (grote) stenen. Eronder, onzichtbaar voor de mensen in de kerk, ligt een rode roos. Het tafereel moet een desolate indruk geven.
- Achteraan in de kerk worden theelichtjes voorzien. Voor het altaar of op een andere, goed bereikbare plaats, staat een houten kruis. In het midden van het kruis is een lusje of haakje voorzien waaraan de roos kan worden opgehangen.
- Tijdens de kruishulde nemen de mensen achteraan in de kerk een theelichtje, komen naar voor, nemen een steen van de stapel, leggen die bij het kruis en plaatsen het theelichtje erop. Stilaan komt de roos vrij vanonder de stenen. Tenslotte neemt de voorganger de roos en hangt ze op het kruis.
- De teksten van de kruisweg worden gelezen door de Jezusfiguur, aangeduid met J. Dit kan de voorganger zijn of iemand anders. Het stukje van Jezus’ moeder (M.) wordt gelezen door een vrouw.
L. Steenwoestijnen van grote steden,
luidruchtige woestijnen doordrongen van vervuilde lucht,
woestijnen waar drinkbaar water alsmaar schaarser wordt.
Hoe kunnen we hoopvol leven in de woestijn?
Vluchten is geen uitweg.
Het is ons vaderland, het werk van onze moeders,
erfenis voor onze kinderen.
Onze geliefden hebben er geleefd,
bloemen en bomen geplant,
ze hebben er bloed en tranen gezweet.
Roos Maes
V. Welkom in deze Goede Vrijdagviering.
Vandaag staan we stil bij het lijden, we volgen de weg die Jezus ging ten einde toe.
In Hem herkennen we de weg die vele mensen gaan:
lijden aan de wereld, sterven voor nieuw leven.
Laten we daarom samen stil worden en bidden.
Openingsgebed
A. Eeuwige God, wij willen ons spiegelen aan Jezus, uw Zoon,
die het kruis niet ontliep, maar het droeg tot het einde.
Geef ons moed en kracht in de donkere, dorre dagen van ons leven.
Laat ons ervaren dat het leven niet alleen kan wegen als een steen
maar dat de last lichter wordt
als hij door velen samen wordt gedragen.
Kruisweg naar Hein Walter
L. Jezus ging naar de plaats waar het moest gebeuren.
Rustig liep hij zijn eigen gang, hij droeg zijn eigen last.
Hij dacht aan hoe hij verwachtte dat het zou gaan.
Zo zou het gaan: ze zouden huilen,
anderen zouden lachen om zijn leven, om het vallen en opstaan
van een reddeloze, die zijn krachten verspeelde met doodgaan.
J. Ik keek iemand aan die stond te kijken: een jonge, oprechte man.
Ik vroeg aan hem of, als het kon, hij met mij zou willen ruilen,
dan zou hij de goede aarde zijn,
de grond waarop gebouwd kon worden, de hoeksteen.
Hij keek me aan alsof ik gek was.
Misschien. Alleen een gek zou zo omgaan met zijn eigen lot.
Mijn lot? Hij had gelijk,
alleen een gekke zoon van God zou voor hen zijn leven geven. Ik.
Even stilte
J. Ik viel. Toen een man zijn vrouw sloeg, viel ik,
en toen een kind om eten bedelde.
Ik viel toen een man van kou stierf onder een deken van wind.
Ik stond wel weer op, ik kon mijn benen nog gebruiken,
maar wie hielp hem, hij daar op de grond, die al dood was.
Even stilte
J. Dag moeder, hier ben ik nu, uw bloed.
Wees niet bedroefd om wat ik doe. Herinner me.
Als er straks zoveel valt te vergeten,
herinner dan het goede onder het geweld van nu.
M. Dag kind, ik ben hier, jouw bloed.
Ik snap niet helemaal waarom het moet dat je dit doet.
Moest je... Er valt nog zoveel te zeggen.
Mijn liefde, voel het als een harnas tegen dit geweld.
Even stilte
L. We staan even stil bij een gedicht uit Burkina Faso.
Wat ik je wil zeggen, mijn volk:
van jou, maar ook van mij is
het naakte jongetje, zijn buikje dik van ondervoeding.
Het ventje in lompen, slenterend in de stofferige straten,
zijn gezicht wit van de woestijnwind.
Hij bedelt wat centen bijeen in een leeg tomatenblik.
Van jou, maar ook van mij is de oude man,
zijn hielen vol kloven zoals de droge grond
die hij blijft opentrekken met zijn daba.
Van jou, van mij is de vrouw die de gierst maalt voor het avondmaal,
en de droge blaadjes van de baobab voor de saus.
Ik zoek tevergeefs naar wat vlees in die saus.
Van jou, van mij, is de trieste stoet van vrouwen
op weg naar een verre waterput,
waar misschien nog water is.
Op hun droge lippen sterft stilletjes hun lied.
Van jou, van mij is de vrouw met de zwangere buik.
Ze komt terug van het veld,
op het hoofd draagt ze een enorme stapel hout,
op haar rug de baby van vorig jaar.
Ik wil alleen maar zeggen, mijn volk,
van jou, maar ook van mij is de vrouw
die langzaam sterft in het kraambed.
De kennis van de oude vrouwen heeft gefaald,
de ‘specialisten’ van het centrum konden ook niets meer doen.
Van jou, van mij is het meisje met de angstige ogen.
Men spreidt haar beentjes stevig en brutaal,
Het mes is al vuil,
aan haar jonge keel ontsnapt een vreselijke pijnkreet.
‘Je voulais simplement dire’ uit Parturition, Bernadette Sanou, vertaling MC Ongenaert
Lied of orgelspel
J. Het duurde hen te lang, ik kreeg hulp,
van zomaar iemand, een man die langs de kant stond.
Hij keek me met radeloze ogen aan,
bang voor mijn lijden, dat hij ook dát zou moeten dragen.
We kenden elkaars namen niet.
We spraken niet en raakten elkaar niet aan.
Even droegen we samen het hout,
het hout waar de dood op af zou komen, als een kraai op een korst brood.
Maar even was de dood in verwarring.
Even stilte
J. Mijn ogen raakten dicht, ik zag niets meer,
dan opnieuw de dingen die waren gebeurd:
het geluk op het gezicht van de vrouw die weer zag hoe ze moest leven,
treurige ogen die opbloeiden als bloemen.
Bekeerden zag ik, vrienden om me heen...
Tot mijn gezicht met een lap werd bekleed
en ik zachte vingers voelde op mijn voorhoofd, op mijn wangen
en mijn ogen werden schoongeveegd.
Ik keek in het gezicht van een vrouw:
troost me, vroegen haar ogen, help me,
geef me de kracht om in het goede te blijven geloven.
Even stilte
L. Laten we God danken om mensen als Simon van Cyrene en Veronica:
A. Wij danken u God, voor mensen
die een ander onder hun hoede nemen:
een zieke, een arme, een gevluchte of verwarde.
Wij danken u voor mensen
die hun hart hebben gezet op mededogen
en hun handen op breken en delen,
en die daarom zichzelf meer en meer uit handen geven.
Wij danken u voor allen
die ijveren voor een betere wereld
en die dat volhouden, even stug als aanstekelijk.
Zij zijn uw naam in ons midden.
Lied of orgelspel
J. Ik viel weer, het geschreeuw om me heen was sterker dan mijn benen
en mijn rug leek te breken,
zoals mijn wil geen gewapend beton was gebleken,
maar scheurde toen het allemaal zo dichtbij kwam
en eenzaamheid ondraaglijk werd, toen ik wilde vluchten.
Toch vluchtte ik niet en toch stond ik weer op om te volbrengen wat moest.
En, ik kon ook niet meer terug,
de grond was al onder mijn voeten weggevaagd
en de last al onlosmakelijk op mijn rug gebonden.
De dood liep met me mee en hield me vast.
Even stilte
J. Ik wist het niet meer, ik wist even echt niet meer waar en wie ik was.
Was ik die man die blind en slecht te been was,
of was ik de man die hem genas?
Was ik degene die sprak over het oog van de naald?
Ik liep zonder te weten dat ik liep
en zonder het gegil te horen, het gevloek.
Ik viel zonder te snappen dat ik viel
en zonder te weten dat ik weer moest opstaan.
Het was net alsof mijn ziel al dood was.
Maar dat was niet genoeg.
Even stilte
L. Bidden wij, bij het zien van dit lijden, voor onszelf:
A. Moge de honger en de dorst van armen ons opjagen en aanzetten tot delen.
Moge het verhaal van slaven en gevangenen onze welvaart en gemoedsrust verstoren.
Moge het vuur van voorvechters van mensenrechten onze weerstanden verschroeien.
Moge het zwijgen van wie in stilte grootmoedig zijn, onze grote mond dichtslaan.
Moge de moed van wie strijden voor vrijheid en vrede onze middelmatigheid beschamen.
Moge de onrust van wie zich inspannen voor rechtvaardigheid onze twijfel verjagen.
Moge de kracht die schuilgaat in geringheid en zwakte,
God die zich aandient in de minsten der mensen, ons zegenen.
Lied of orgelspel
J. Had ik bezittingen gehad, grond, ik had het hun gegeven;
of geld, hier neem en geef het uit.
Maar nee, al wat ik had was een gescheurd kleed.
En mijn lichaam en mijn bloed? Die waren al gegeven.
Mijn gescheurd kleed, wie won het?
En, was het óók heilig, zoals de splinters en de lijkwade later
en de weg die ik liep en waar ik viel?
Even stilte
J. Het werd donker, de dag scheurde als een doek voor een tempelingang.
Ik dacht dat ik de zon zag vluchten,
toen ik niets meer hoorde,
maar het was mijn ziel die uit mijn lichaam voer.
Het werd donker, de nacht van mijn leven brak aan. Kil werd het.
Alles, het lijden, het vechten, alles was voorbij.
Geen geluid, het was stil als de dood.
Had ik hierop gewacht?
Was dit nu wat ik wilde, Gods wil?
Stilte: iets langer
J. Ze namen me mee, zoals ik hen had meegenomen
naar Lazarus die opstond uit de dood
en naar de mens die doof was voor de woorden van de wereld,
maar wel de woorden herkende van erboven,
zo namen ze mij mee
om mij te laten weten dat ze het hadden begrepen.
Ze namen de man mee die dood was,
maar die, net zoals de man van toen, zou opstaan uit de dood.
Ooit zou hij zijn doodsbed opnemen en wandelen...
Zo zou het gaan.
Even stilte
Kruishulde
V. We willen nu Jezus, de gekruisigde, eren en in zijn naam allen die hun leven gaven voor anderen.
We gaan eerst achteraan de kerk een theelichtje halen, komen dan naar voor en nemen een steen weg van de stapel. We leggen de steen in een kring rond het kruis en plaatsen er ons theelichtje op. Zo willen we symbolisch zware stenen van lijden wegnemen en een lichtende kring doen ontstaan rond het kruis, symbool van gegeven leven.
Tijdens kruishulde: orgelspel
Na de kruishulde neemt de voorganger de roos, die nu zichtbaar op de grond ligt en brengt ze aan op het kruis.
Ondertussen leest de lector:
L. Steenwoestijnen van grote steden,
luidruchtige woestijnen doordrongen van vervuilde lucht,
woestijnen waar drinkbaar water alsmaar schaarser wordt.
In deze werkelijkheid,
aangevuld met onze dromen
zal midden onder ons ‘leven in overvloed’ ontstaan.
Het leven dat wij onophoudelijk zoeken,
zal daar geboren worden.
Het heilige in het alledaagse.
Vrouwen, armen, kinderen gaan ons hierin voor:
ze zingen, dansen, bidden, drinken, roepen…
Een roos bloeit in de woestijn, teken van leven.
Roos Maes
Communiedienst
V. Het is een klein teken maar, een beetje onbeholpen:
we breken wat brood, een hapje voor iedere mond,
terwijl wij het zelf niet kunnen: brood zijn voor deze aarde,
voor alle mensen wereldwijd die honger lijden
en verlangen naar vrede en gerechtigheid.
Het kleine teken van Jezus van Nazareth
die het wél gedurfd heeft en zelf brood geworden is:
een gebroken leven dat sterker was dan de dood.
In de schaduw van zijn verhaal
willen we nadoen wat Hij heeft gedaan:
brood delen op zoek naar zijn weg
want zo worden wij het lichaam van Jezus.
Slot
V. Laten wij nu weggaan en voortaan
weigeren ons neer te leggen bij het kwade in de wereld.
weigeren te geloven dat wij machteloos zijn,
weigeren onze handen in onschuld te
wassen en ons geweten te sussen.
Laten we blijven geloven in de droom van God,
in de solidariteit en in de kracht van vele, kleine mensen samen.
Dan zal het leven dat wij onophoudelijk zoeken, geboren worden.
Dan zal een roos bloeien in de woestijn.
Dan wordt het Pasen na deze Goede Vrijdag.
Suggesties voor liederen
Zie liederen aangegeven in liturgiemappen van vorige jaren