BEZINNING BIJ DE NEGENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR.

 

BIDDEN LOONT ZICH
In deze evangelielezing van Lucas gebruikt Jezus beelden om ons duidelijk te maken dat wij moeten volharden in het bidden. Jezus gebruikt als voorbeeld een weduwe, die in de Schrift het beeld is van sociale hulpeloosheid en weerloosheid, die machteloos en rechteloos is. Zij heeft slechts één middel: zij roept en blijft roepen om recht. Zij blijft net zo lang roepen totdat zij het recht krijgt van een man die zich om God noch gebod bekommert en zich aan geen mens stoort. Hij wil niet langer lastig gevallen worden door haar eindeloze bezoeken. Als deze goddeloze, onbarmhartige man haar recht verschaft, zou God dan aan mensen die dag en nacht tot Hem blijven roepen, ten opzichte van hen onbewogen blijven? Neen, God zal spoedig recht verschaffen.
Waarom heeft Jezus deze parabel verteld? Hij weet wel hoe moeilijk het voor ons kan zijn om in onze diepste nood te bidden en volhardend te blijven bidden. Wij klagen dat al dat bidden toch niets uithaalt. God helpt niet. Jezus wil ons op de eerste plaats laten weten dat God niet ongevoelig blijft tegenover ons verdriet; ook niet tegenover het onrecht dat mensen wordt aangedaan. God neemt het op voor de kleine mensen, voor mensen in nood. Niettegenstaande dat, worden wij vaak moedeloos. Hoe dikwijls bidden wij en toch blijft de hemel gesloten. Is het daarom misschien dat Jezus vraagt: Hebben jullie wel voldoende geloof? Het zou mooi zijn, als wij zouden kunnen antwoorden: aan ons zal het niet liggen. Liefde leert ons niet enkel bidden, maar ook wat de inhoud van ons bidden moet zijn. St.-Augustinus zegt: God verhoort altijd ons gebed, niet zoals wij het graag zouden hebben, maar zoals het voor ons goed is. Vaak maken wij bij ons gebed twee fouten. Wij willen het niet aan God overlaten hoe Hij ons bijstaat en helpt, en ten tweede: wij bidden zelden zo dringend en volhardend als deze weduwe. Wie nooit ervaren heeft dat God hem nabij is en zorg voor hem draagt, zal het heel moeilijk hebben om het smeekgebed lang vol te houden. Anderzijds wie ooit mocht ervaren, vooral in diep leed en lijden, dat God toch zorgend met ons betrokken is, zal niet zo vlug ophouden met bidden
Wij moeten leren bidden met groot vertrouwen en vol verlangen. Het gaat echt niet om veel of mooie woorden. Het verlangen bidt altijd, ook al zwijgt de mond. Als je altijd verlangt naar Gods hulp, bid je ook altijd. Zegt Huub Oosterhuis niet treffend: "God weet wat ons beweegt aan hoop en twijfel. Hij is groter dan ons hart en niemand is er die bij Hem geen naam heeft. Niemand valt of hij valt in Gods handen en niemand leeft of hij leeft naar God toe". Dat wil niet zeggen dat we steeds met God moeten bezig zijn, dat gaat vaak boven onze mogelijkheden, maar liefhebben kunnen wij Hem altijd.
Als je ooit in een situatie komt waarin je niet meer kunt bidden tot God, moogt ge dan mensen tegenkomen die je ondersteunen, zoals Aaron en Chur, die de armen van de biddende Mozes ondersteunden.