PATROONHEILIGE
De Heilige Martinus
Martinus werd geboren rond 316 en was
waarschijnlijk de zoon van een Romeins tribuun uit Pavia. Hij stichtte de
abdij van Marmoutier, waar hij ook als bisschop van Tours (ca. 371) een zeer
eenvoudig leven bleef leiden. Op de verbeelding van de gelovigen werkte vooral
het verhaal over de helft van zijn mantel die hij, toen hij nog Romeins
soldaat was, aan de stadspoort van Amiens gaf aan een arme bedelaar. Hij
stierf rond 397 en werd begraven in de Sint-Maartensbasiliek van Tours.
Populair sinds de middeleeuwen, werd hij de nationale heilige van Frankrijk.
Vele volksgebruiken herinneren nog aan deze figuur. Zijn bekendheid werd
ongetwijfeld in de hand gewerkt door levensbeschrijvingen opgetekend door
Sulpicius en Gregorius van Tours.
De St.-Martinusverering in de Lage Landen
De verering voor deze heilige hangt nauw samen met de herkerstening van onze streken ten tijde van de Merovingers, die vooral in handen was van rondtrekkende missionarissen, soms met een bisschoppelijke wijding of later tot bisschop verheven. Amandus, vooral actief in de Scheldevallei, is daarvan een sprekend voorbeeld. De verhalen over deze man leren ons heel wat over de gebruikte technieken. Zo weten we dat deze zendelingen overgingen tot ostentatieve vernietiging van afgodenbeelden en –heiligdommen en op de plaats van de heidense cultus een christelijke organiseerden. Elst schijnt zo’n voorbeeld te zijn van een heidense cultusplaats die veranderd werd in een christelijke kerk. Na deze missioneringsgolf volgde dan een bekering naar de diepte. De abdijen speelden hierbij een opmerkelijke rol. Voorposten van de bekering tussen Schelde en Samber waren alleszins de twee Gentse abdijen, stichtingen waarbij Amandus zeker een rol heeft gespeeld. Ook de vorsten lieten zich niet onbetuigd en zorgden voor de uitbouw van een netwerk van dorpskerken. Het grote aantal kerken toegewijd aan St.- Martinus toont ons het resultaat van zo’n Rijksmissie.
De kapel van St.-Martinus
Over het ontstaan van deze kapel tasten we volledig in het duister. Ze werd alleszinds gebouwd in de eerste helft van de zestiende eeuw. Op 24 april 1638 trok ze de aandacht van bisschop Triest. Volgens hem was ze een stichting van een zekere familie de Ernes. Tot nu toe konden we deze familie niet op het spoor komen.
In 1640 wordt Sint-Martinus alvast vermeld als beschermheilige. Op 4 juli 1891 werd er met toestemming van de Gentse bisschop Stillemans voor de eerste maal opnieuw mis gelezen in de kapel.
In de kapel werden een aantal waardevolle kunstwerken bewaard. Overgebracht naar het gemeentehuis van Gavere kregen ze een grondige restauratiebeurt. De kapel bezat ook een eigen Sint-Martinusbeeld. In 1973 werd een vrij oud beeld uit de kapel gestolen. Op 27 augustus 1985 kreeg de kapel een nieuw beeld. De Sint-Martinuskapel is geklasseerd bij K.B. van 20 december 1974.

De ommegang
Samen met St.-Elooi is de Heilige Martinus de paardenheilige bij uitstek in Vlaanderen. Kenmerkend voor de meeste ommegangen is dat zij plaatsvinden in de lente en de zomer met een hoogtepunt rond de zomer zonnewedde. In weinig gevallen is de echte aanleiding tot het houden van een ommegang gekend. Men vermoedt dat ziekten onder het vee en onder de gewassen aanleiding kunnen gegeven hebben tot het organiseren of het opnieuw in leven roepen van een aantal ommegangen.
Deze heeft plaats het eerste weekend na 4 juli en zou ontstaan zijn in de 16de eeuw.
De Sint-Martinus ommegangen te Asper
Het is
voldoende bekend dat sedert onheuglijke tijden de paardenommegangen het
talrijkst voorkomen in het huidig gebied van Oost-Vlaanderen en dat ze daar het
best hebben standgehouden. Naast Sint-Elooi, de paardenpatroon bij uitstek
werden ook nog andere heiligen aan bedoeld gebruik verbonden. Voor Asper kunnen
we wijzen op twee vormen waaronder de paardenprocessie zicht voordoet. Een
eerste waaraan alleen ruiters met hun paarden deelnemen en een andere bestaande
uit een groep bedevaarders onder de leiding van een pastoor en enkele
voorbidders die in het afleggen van de rondgang door een groep ruiters worden
begeleid. De twee afzonderlijke ruiters ommegangen in Asper geschieden ter ere
van Sint-Martinus, de patroonheilige van de kerk.
Het bedevaartvaantje
Ook over
de oorsprong van dit gebruik zijn onderzoekers het niet eens. Vlaanderen,
bakermat van de houtgravure, was alleszins het uitstralingscentrum van deze
uiting van volksdevotie. Velen zijn geneigd een verband te leggen met
bedevaarten, van hogerhand opgelegd als straf. Als bewijs dienden de
bedevaarders een aantal voorwerpen mee te brengen uit dorpen of kerken gelegen
langs de route. De betekenis van het bedevaartvaantje, zoals het in Asper werd
en nog steeds wordt uitgereikt, is echter meer religieus dan juridisch. Mensen
namen vrijwillig deel aan de ommegang. Het vaantje droegen ze in de hand.
Ruiters bevestigden het aan halster of oogkleppen, of het vaantje kreeg een
plaatsje aan sjees of wijtewagen. Na de ommegang werd het bewaard in huis of in
de stal. De betekenis wordt alsdan vrij duidelijk. De ommegang was een manier om
God of zijn heiligen bescherming af te smeken voor het huis, het gezin de dieren
en de akkers.
Technisch gezien, maakte men gebruik van de verschillende gravuretechnieken bij het vervaardigen van zo’n vaantjes.
De oudste techniek was dan ook de houtgravure, de kopergravure gaf de kunstenaar meer mogelijkheden, maar gezien het volkse karakter bleef de eenvoudige schets primeren. Als jongste in de rij kwam de steendruk rond 1820 Vlaanderen binnen. De Asperlingen maakten als één der eersten van deze techniek gebruik om hun bedevaartvaantjes te drukken. Het werk werd in het midden van de 19de eeuw toevertrouwd aan de Oudenaardse boek-en steendrukker.