BEZINNING BIJ DE VIERDE ADVENTSZONDAG
Licht van de wereld
De voorbereidingen op het kerstfeest worden
almaar groter en drukker: er zijn inkopen te doen, wenskaarten te schrijven,
cadeaus te kopen en... er is een feestmaal te bereiden. Wat wil je, men moet
tenslotte meedoen. Je kan er niet onderuit.
Is het kerstfeest dat? Vieren wij 'zo' ons kerstfeest? Door zo te handelen
vieren wij alleen nog onszelf: het zijn onze cadeaus, onze wensen, en ons feest.
Kerstmis blijft vergeten.
Waar gaat het met Kerstmis om? Niet op de eerste plaats over wat wij ervan
maken, maar over wat God ervan gemaakt en ermee bedoeld heeft voor ons. Kerstmis
komt niet van ons. God heeft gehandeld, Hij heeft ons Jezus geschonken.
Als zich een kindje aanmeldt in de familie dan zeggen wij: die ouders verwachten
een kindje, zij krijgen een kind, zij leven in blijde verwachting. Wij zeggen
niet: zij maken een kind. Een kind kan je niet maken zoals de liefde niet te
maken is. Liefde krijg je. Gratis voor niets. Zo zeggen wij van Maria: zij heeft
'ontvangen' van de heilige Geest. God schenkt ons zijn Zoon als de Redder van de
wereld. Alleen dit geschenk van God maakt ons blij en doet ons Kerstmis vieren.
Liefde kan je niet kopen met geld of met mooie woorden. Het is een geschenk. En
waar iemand liefde mag ontvangen wordt feest gevierd. Nu met Kerstmis gedenken
we dat God zijn Zoon geschonken heeft als Verlosser van de wereld. Daarom mogen
wij feestvieren, blij zijn en juichen. "Zozeer heeft God de wereld bemind dat
Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken opdat wij zouden leven en nooit
verloren gaan!"
Maria ontsteekt voor ons vandaag het laatste adventskaarsje in het duister van
deze wereld. Zij, de nederige dienstmaagd, op wie God heeft neergezien, zoals
zijzelf in haar magnificat zingt. God heeft aan Maria, zijn nederige
dienstmaagd, grote dingen gedaan. Door haar toonde God zijn barmhartigheid die
reikt van geslacht tot geslacht, voor eeuwig.
Neen, voor Kerstmis hoef je niet veel te doen, je hoeft alleen je hart er voor
open te stellen. Gods Licht komt in onze duisternis, opdat wij op onze beurt dat
licht verder geven aan anderen.
Het evangelie geeft geen antwoord op vragen over belastingen, maar geeft ons wel een richtsnoer; hoe wij ons moeten gedragen tegenover het burgerlijke en het goddelijke gezag. Voor ons, christenen, bestaan er twee we- . relden waarin we moeten leven: de wereld van de godsdienst en de wereld van de staat. Een zekere scheiding tussen Kerk en staat is noodzakelijk alhoewel de rechten van de Kerk en de rechten van de staat dikwijls samenvallen. Zo kunnen zij een bron van conflicten zijn bv.: de strijd om de armenzorg in België in de 19e eeuw, de schoolstrijd... Toch moet een christen bovenal de rechten van God respecteren. In de maatschappij heeft de politiek de plicht om een samenleving op te bouwen die steunt op de fundamenten van recht en gerechtigheid, waarin volgens Jezus de maatstaf vervat ligt: geef aan de keizer wat de keizer toekomt, maar geef aan God wat God toekomt. De staat moet de rechten van God in het leven van de mensen erkennen. Waarachtige godsdienst vraagt van ons, christenen, dat wij ons verzetten tegen alles wat het beeld van God in de mens en in de samenleving verduistert. De staat heeft geen onbeperkte macht over leven en dood. In onze beoordeling over wat goed of kwaad is mogen we ons niet laten leiden door het profijt maar door God als uiteindelijke norm. Christenen moeten zich politiek engageren om aan God te geven wat aan God toekomt, om te komen tot een samenleving waarin ook de rechten van God en de zorg voor de zwaksten in de maatschappij gehonoreerd worden. Door de rechten van iedere mens te eerbiedigen, erkennen wij ook de rechten van de Schepper, die elke mens evenwaardig geschapen heeft.