BEZINNING BIJ DE ZEVENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR.

ONNUTTE KNECHT

In deze tijd waarin wij graag spreken over de rechten van de mens en de gelijkheid van alle mensen, klinkt deze parabel van Jezus over de onnutte dienstknecht wel zeer hard in de oren. Om Jezus goed te begrijpen moeten we deze parabel terugplaatsen in de tijd van Jezus. Jezus heeft het over een boer en zijn knecht. Een knecht had geen recht op vrije tijd, of op een vrije dag. Hij was altijd in dienst. Zelfs als hij de hele dag op het veld gewerkt had en s'avonds naar huis keerde, moest hij eerst nog het avondeten maken voor zijn heer. Daarna mocht hij zelf eten. Voor al dat werk moest de baas zijn knecht niet danken of belonen; hij was toch maar de knecht. Deze harde verhouding past Jezus toe op de verhouding van God tot ons. "Wanneer je alles gedaan hebt wat u opgedragen werd, zeg dan: wij zijn onnutte knechten, wij hebben alleen maar onze plicht gedaan".
Is het dat wat Jezus ons wil zeggen? Neen, Jezus verzet zich tegen de loon en prestatietheorie. Hij waarschuwt tegen een mentaliteit om van God loon te eisen voor onze goede werken. Mensen presenteren God zo graag de rekening van hun goede werken, alsof ze zo de hemel kunnen kopen. Als tegenslag hen treft vragen zij zich af: waaraan heb ik dat verdiend? Ik heb toch altijd mijn plicht gedaan? Paulus zegt heel juist: niet op grond van onze goede werken, maar door zijn genade zijn wij gered. De liefde van God kunnen wij niet verdienen. Zij blijft een onverdiend geschenk. God heeft ons het eerst liefgehad, nog voor wij Hem konden liefhebben. Wij kunnen die liefde van God ook niet verliezen, want Gods liefde duurt eeuwig. In deze redenering voelen wij ons onwennig, wij vertrouwen veel meer op onze eigen gerechtigheid. Wij kunnen alleen Gods liefde afwijzen. God dwingt niemand. Laten we even kijken hoe de heiligen daarmee omgaan. De kleine H. Theresia zei op haar sterfbed: "tout c'est grace". Dat was de samenvatting van haar ervaring met God: alles is genade.
In de Fioretti lezen we: Sint-Franciscus ging van Assisië naar Perugia. De mensen liepen hem tegemoet en riepen: ecco il santo! Daar komt de heilige. St.-Fransiscus klopte zich nederig op de borst en zei: ik ben een grote zondaar. Broeder Leo kon dat niet verdragen en zei: "Vader al de mensen roepen dat je een heilige bent, dan kan jij toch niet zeggen dat je een zondaar bent. Je moet toch eerlijk zijn!" Franciscus nam de kleine Leo vast en zei: Broederke Leo, als God aan een andere mens, zoveel genade had geschonken als aan mij, dan zou die van zijn leven wel iets heel anders gemaakt hebben.
Dat nu wilde Jezus ons in de parabel duidelijk maken: voor God kunnen wij alleen met geopende handen staan en dankbaar zijn gaven aannemen.